Toerisme en horeca

Laurentius Straetmans
In 1867 wordt de vesting Maastricht opgeheven en verliest ook het fort zijn functie. De militairen vertrekken, maar het fantastische uitzicht over stad en omgevingblijft. Laurentius Straetmans koopt het fort in 1870 op een veiling voor elfduizend gulden. Aan die koop zit wel de verplichting om onder andere de bovenste kanonkazematten te slopen. Straetmans is mogelijk de eerste die de toeristische mogelijkheden van de plek ziet. Hij vraagt namelijk een jaar later of hij een deel van die kazematten mag laten staan omdat hij van daaraf zo´n mooi uitzicht heeft. Die toestemming krijgt hij, maar wat hij verder van plan is geweest met het fort, zal voor altijd in nevelen gehuld blijven. Hij overlijdt in 1873 en laat het vestingwerk gedeeltelijk gesloopt achter.
Ontspanningsoord Fort Sint Pieter
Daarna bezoeken af en toe meer avontuurlijk ingestelde toeristen het fort. Ook komen er wilde plannen langs, maar het zal tot de jaren 1930 duren voordat het ´Ontspanningsoord Fort Sint Pieter’ kan worden geopend. Dan wordt de rommelige situatie in de droge grachten opgeruimd en vervangen door bestrating en wordt een groot terras met dansvloer aangelegd. De drie nog overgebleven caponnières worden opgeknapt en daar komen toiletten, de keuken, een restaurant en de woning van de exploitant.
De horeca voorziening is grotendeels in de open lucht, maar dat leidt er toe dat grote groepen bezoekers enkele malen halsoverkop naar de stad moeten vluchten als het weer niet meewerkt. Dan krijgt een deel van het terras een betonnen overkapping waarmee het monumentale karakter van het vestingwerk ernstig wordt aangetast.
Beatklup en een nieuwe feestzaal
De horecagelegenheid kent hoogtepunten en dieptepunten. Het is een geliefde plek voor feesten, partijen, dansavonden en concerten, maar leidt ook vaak een kwijnend bestaan. In de jaren 1960 krijgt de ´Beatklup Fort St. Pieter´ bekendheid, maar die gaat na enkele jaren alweer ter ziele. Rond 1980 leeft de zaak weer enige tijd op onder exploitant Rob Roumans. Hij weet voor elkaar te krijgen dat er een nieuwe feestzaal wordt bijgebouwd. Toch blijkt dit opnieuw een tijdelijke opleving en in 2011 gebeurt waar eigenlijk niemand meer op had durven …: het café-restaurant inclusief de nieuwbouw van 1985-1986 houdt op te bestaan en wordt gesloopt.
Rondleidingen
Tot 1980 zijn de rondleidingen door het historische vestingwerk in handen van de horeca exploitant.
De gids vertrekt vanaf het podium in de feestzaal, gewapend met een lamp, een paar oude kranten en een pakje lucifers. Aan de waterput wordt de krant in brand gestoken en naar beneden gegooid. In de put staat in die tijd geen water en het is de bedoeling dat de krant op de bodem een tijdje blijft branden zodat bezoekers kunnen zien hoe diep de put is. Vaak blijver er papierresten op de bodem liggen die op een ongewenst moment spontaan gaan smeulen waardoor het fort zich voor enkele uren, soms meer dan een dag, met rook vult. Het -letterlijke- hoogtepunt van de rondleiding is het beklimmen van de uitkijkpost waar de gids zeer uitgebreid de tijd neemt alle markante punten in het silhouet van stad en omgeving uitgebreid te bespreken. Die gewoonte is uit armoede ontstaan omdat er over het fort zelf eigenlijk nog maar bitter weinig te vertellen valt.
In 1980 neemt de VVV-Maastricht de rondleidingen over en worden deze geprofessionaliseerd.
Tegenwoordig kunnen bezoekers vrij rond het hele fort wandelen en onder begeleiding van een gids van Maastricht Underground naar binnen gaan voor een uitgebreide wandeling in en op het vestingwerk.
Daniel Wolf van Dopff
De ontwerper van het fort
Tot 1959 wordt aangenomen dat fort Sint Pieter was ontworpen door de beroemde Nederlandse vestingbouwer Menno van Coehoorn. Vestingdeskundige Louis Morreau ontdekt echter dat niet Van Coehoorn, maar Daniel Wolf van Dopff de geestelijke vader van dit vestingwerk is. Op dit paneel geven we aandacht aan deze Van Dopff die we niet alleen als vestingbouwer, maar ook als militair, commandant en gouverneur van de vesting Maastricht, kasteelheer en onderwerp van sterke verhalen kennen.
Jeugd
Daniel Wolf Dopff wordt op 10 januari 1650 in Hanau bij Frankfurt geboren als zoon van de lokale grafelijke schout en tolgaarder. Hij treedt in 1666 in dienst van de graaf van Hanau en is niet veel later kamerdienaar van Georg Friedrich graaf van Waldeck. Deze Waldeck ondersteunt hem in zijn verdere leven als een soort van beschermheer. Waldeck wordt in 1679 militair gouverneur in Maastricht en Van Dopff is ongetwijfeld via hem in de stad terecht gekomen.
Militaire carrière
In 1672, ons nationale Rampjaar, lijkt hij definitief voor een militaire carrière te kiezen. Hij rukt dan met de troepen van keurvorst Frederik III van Brandenburg op in een poging de Nederlandse Republiek uit haar benarde positie te bevrijden. Voor zijn verdiensten in deze campagne krijgt hij de Ordre de la Générosité. In de jaren 1683-1685 dient hij onder Waldeck weer in het Duitse leger dat in Oostenrijk en Hongarije tegen de Turken strijdt. De Duitse keizer verheft hem daarna in de adelstand. Hij krijgt de titel van Reichsfreiherr, de laagste adellijke rang, die hij naar de Nederlandse situatie -niet geheel terecht- vertaalt met ´baron´. Ook in de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) doet Van Dopff van zich spreken.
Vestingbouwer
Van Dopff wordt in 1674 door de Staten-Generaal benoemd tot ingenieur-fortificatiemeester. In 1688 krijgt hij de kans militair gouverneur Waldeck te adviseren over de verbetering van de verdedigingswerken van Maastricht. Hij adviseert de hoge fronten te versterken met acht nieuwe bastions en hoewel zijn plan tot in de Raad van State wordt goedgekeurd, komen er uiteindelijk slechts vier tot stand. Drie van die bastions, Waldeck, Saxen en Holsteijn, hebben de eeuwen getrotseerd en bestaan nu nog steeds. Zijn grootste project wordt echter het fort Sint Pieter dat in de jaren 1701-1702 tot stand komt. Van Dopff toont zich een wat eigenzinnige vestingbouwer, zijn werken zijn niet te plaatsen in één van de gangbare vestingbouwkundige methodes. Kenmerkend voor zijn vestingwerken zijn de verticale mergelkettingen die de bakstenen muren onderbreken.
Hij laat overigens in 1699 nog een bastion bouwen dat aanvankelijke ´Des Capucins´ heet, maar later de naam Dopff krijgt.
Commandant en gouverneur van Maastricht
Onder gouverneur Waldeck manifesteert Van Dopff zich in Maastricht eerst als vestingbouwer en in 1694, twee jaar na het overlijden van Waldeck, krijgt hij zijn aanstelling tot commandant in de vesting. Hij is dan de op een na hoogste militair en de rechterhand van de gouverneur. Als de opvolger van Waldeck, de hertog van Holstein-Plön in 1704 komt te overlijden mag Van Dopff optreden als waarnemend gouverneur. Het zal tot 1713 duren voordat hij ook daadwerkelijk in die functie wordt benoemd. Hij is vervolgens gouverneur tot aan zijn overlijden op 68-jarige leeftijd in 1718.
Kasteelheer
Om aan zijn verworven adellijke titel meer glans te geven, zoekt Van Dopff een heerlijkheid met een bijpassend kasteel. In 1697 weet hij zijn slag te slaan. Hij koopt de heerlijkheid Neerkanne met het bijbehorende bouwvallige kasteel Agimont. Ingenieur/architect Van Dopff gaat voortvarend aan de slag en herbouwt het kasteel naar zijn huidige verschijningsvorm. Ook legt hij tuinen, een oprijlaan en een grote vijver aan. Van Dopff is nu niet alleen kasteelheer, maar ook landheer met ongeveer tweehonderd onderdanen in het dorpje Kanne.
Tsaar Peter de Grote
In 1717 onderneemt tsaar Peter de Grote zijn tweede reis naar West Europa. Hij doet op 27 juli ook Maastricht aan en wordt bij aankomst met drie saluutschoten uit ongeveer honderd kanonnen verwelkomd. Uiteraard wordt de hoge gast ontvangen door de militaire gouverneur en het stadsbestuur. De tsaar bezoekt daarna met Van Dopff de vesting en toont bijzondere belangstelling voor fort Sint Pieter. De volgende dag staat een feestmaal in Château Neerkanne op het programma voordat de hoge gast Holland vertrekt. Bij dat afscheid worden opnieuw drie kanonschoten gelost door honderd kanonnen.
Sterke verhalen?
Rond de persoon van Van Dopff zijn er enkele verhalen waarvan moeilijk kan worden vastgesteld of ze moeten worden verwezen naar het rijk van de Maastrichtse mythen of dat ze op waarheid berusten.
Zo zou de echtgenote van Van Dopff in het jaar 1705 met haar koets dwars door de processie van het dorp Kanne zijn gereden. De straf van God laat niet lang op zich wachten. Er breekt een noodweer los en nadat de koetsier een grotingang in is gereden, stort deze in waarbij mevrouw Van Dopff, twee van haar kinderen, een kindermeisje en de koetsier om het leven komen. Volgens een andere versie van dit verhaal is de koets onderweg van Maastricht naar het Château. Merkwaardige is dat dit verhaal pas voor het eerst op lijkt te duiken rond het midden van de 19e eeuw. Je zou verwachten dat zo´n tragisch ongeval waarbij de ´first lady´ van Maastricht betrokken is, ook in eigentijdse bronnen zou worden vermeld. Feit is wel dat het onbekend is wanneer mevrouw Van Dopff is overleden.
Een ander verhaal dat pas in 1877 opduikt, is dat Peter de Grote tijdens de maaltijd op Neerkanne plotseling zou zijn opgesprongen en vertrokken. Nu stond de tsaar wel bekend om zijn driftaanvallen, maar ook hier is het merkwaardig dat dit voorval niet in eigentijdse bronnen wordt vermeld.
Het derde en laatste verhaal heeft ook te maken met het bezoek van Peter de Grote. Volgens die overlevering zou Van Dopff bij dit bezoek een verkoudheid hebben opgelopen die hem negen maanden later op 15 april 1718 fataal zou zijn geworden. De etiquette vereiste bij het bezoek een onbedekt hoofd en dat zou tot ziekte en uiteindelijk overlijden hebben geleid. Onmogelijk is dit verhaal niet, maar wel oncontroleerbaar.
Boerenleven

Fortbewoners
Na de verkoop van het fort aan Laurentius Straetmans in 1871 en diens overlijden in 1873, wonen er in 1880 vier gezinnen. Er zijn dan in de gemeente Sint Pieter vier adressen ´Op ´t Fort´ met huisnummers van 127 tot en met 130. Het zijn de familie Groothausen met zeven kinderen, de familie Rood met zes kinderen, de familie Claessens en de familie Meijers met vijf kinderen. Het ligt voor de hand dat elke familie één van de caponnières bewoont en dat betekent dat deze tussen 1870 en 1880 voor bewoning geschikt zijn gemaakt. De schietgaten zijn vervangen door deuren en ramen en de verbindingstrappen naar het fort en de andere caponnières zijn dicht gemetseld. In de gracht rond het fort verschijnen schuurtjes en andere bouwsels. Van de familie Meijers weten we dat zij tot 1936 delen van het fort heeft bewoond. Ze hebben er een boerenbedrijf en houden er vee.
Als het fort in 1938 in gebruik wordt genomen als ontspanningsoord, blijft één van de caponnières tot in de 21e eeuw in gebruik als woonverblijf voor de exploitant.
De ´Leimboer´
Naast de agrarische activiteiten hebben de bewoners een tijdlang nog een andere speciale activiteit op het fort. Dat is de handel in klei of leem die elders gedolven wordt, tijdelijk in de gracht opgeslagen en vervolgens verkocht aan de aardewerkfabrieken beneden in de stad. De leem wordt ook verwerkt tot zogenaamde ´fomme´, leemballen vermengd met kolengruis die als een soort van briketten door armen als brandstof worden gebruikt.
In de caponnière waarin u zich nu bevindt, waren enkele ruimtes ingericht als stal voor het vee. Er waren ossen om de ploeg en karren te trekken, maar ook koeien, schapen, kippen, geiten, konijnen en honden. De honden werden overigens in die tijd ook ingezet om de hondenkar te trekken. Karren en landbouwwerktuigen werden gestald in de mortierkazematten en om daar makkelijk te kunnen komen was er een aarden dam dwars door de gracht aangelegd.
Restauratiewerkzaamheden

Werkverschaffing
In 1936 komen er gelden beschikbaar voor de inrichting van het fort tot ontspanningsoord. Daarna worden alle grondmassa´s die in de droge gracht aanwezig zijn in het kader van de werkverschaffing opgeruimd. De wanden van het fort zelf worden geconsolideerd zodat de mooie gladde weg -inclusief trottoir- rondom kan worden gebruikt zonder gevaar van vallende stenen. De twee caponnières aan stadszijde worden omgebouwd tot restaurant, keuken, toiletten en woning. Daarbij worden de meeste nog aanwezige vestingbouwkundige elementen weggewerkt.
De keelwand van het fort komt in 1939 grotendeels onder de betonnen overkapping van het terras te liggen en vormt een rustieke achtergrond voor podium en dansvloer. De zwaar vervallen muur met schietgaten wordt op die manier behoed voor verder verval. Ook de twee caponnières die bij de horeca in gebruik zijn, worden onderhouden. De rest van het vestingwerk wordt aan het verval prijs gegeven.
In 1963 is het zo erg gesteld met het muurwerk van de rechter flank dat er provisorische herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Langs die wand passeren namelijk de bezoekers van de feestzaal als ze de toiletten bezoeken en daar kunnen vallende stenen natuurlijk niet worden getolereerd!
Eindelijk restauratie
Na talloze noodkreten over het ernstige verval vinden er in de jaren 2006 en 2007 eindelijk ingrijpende restauratiewerken plaats. De vijf wanden van het fort worden gedeeltelijk gerestaureerd en gedeeltelijk geconsolideerd, de mortierkazematten worden hersteld en ook de wanden rondom het terreplein worden weer gedeeltelijk opgemetseld. Van de verdwenen kanonkazematten bovenop worden de nog aanwezige funderingsmuren een stuk opgetrokken zodat de plattegrond van die kazematten weer zichtbaar wordt. Het fort is in deze jaren ook weer terug geplaatst in zijn ‘biotoop’, dat wil zeggen dat de aarden profielen rondom het vestingwerk zijn hersteld en dat het schootsveld naar het plateau van de berg vrij is gemaakt.
De laatste loodjes …
In 2011 worden de gebouwen van het café restaurant afgebroken en dat geeft de mogelijkheid ook de keelzijde van het fort weer terug te brengen in zijn oude staat. Ook hier zijn de aarden profielen in ere hersteld. De buiten het fort gelegen tweede waterput kon ook worden bloot gelegd en geconsolideerd.
Door alle restauratiewerkzaamheden krijgen de bezoekers een meer duidelijk beeld van de functie en het functioneren van het fort. Enkele delen zijn ruïneus gebleven als een verwijzing naar ontmanteling en sloop van de vesting.